Nieuws

Papegaaitje, leef je nog …? Hoe ik opbrandde als predikant

Door DmB 24-05-2016
Papegaaitje, leef je nog …? Hoe ik opbrandde als predikant

In mijn kindertijd had ik buren met een papegaai. Hij was erg goed in het imiteren van wat hij hoorde. Perfect kon hij de buurvrouw nadoen als zij de telefoon opnam en haar naam noemde.

Dan schalde door de huiskamer het doordringende gekras van de papegaai. Mijn moeder verzorgde het dier als de buren vakantie vierden.
De buurvrouw had mij al gewaarschuwd: ‘Kom niet te dicht bij de papegaai. Hij heeft het niet zo op jongetjes en mannen.’ U raadt het al. Onbedwingbare nieuwsgierigheid was sterker dan gezond verstand. Mijn kans nam ik waar. Ik liep naar de papegaai en trok zijn aandacht. Páts, de papegaai zette zijn venijnige snavel in mijn neus. Een zeldzaam indringende pijnscheut trok van mijn kruin tot in de tenen. Er volgde een pleister met daarop een dikke kus van mijn moeder.
Die papegaai leeft niet meer.

Wel een andere. Constant zit hij op mijn schouder en geeft overal commentaar op. In de praktijk van alledag maak ik als fulltime predikant, werkzaam voor een protestantse gemeente en een evangelisatiestichting, veel mee. Ik ben in gesprek met heel diverse mensen met soms zwaarbeladen rugzakken vol levensgeschiedenis. Naast pastoraat ben ik betrokken bij bestuurswerk. Met de vrijwilligers die de kerkenraad en het stichtingsbestuur bevolken, proberen we mee te bouwen aan Gods Koninkrijk in deze wereld, als zoutend zout en lichtend licht.
 
Als er iets goed gaat waarop ik trots ben als dominee, ga ik niet te lang door op het succes. Want ja, er is meer te doen (hoe calvinistisch). ‘En ik doe het toch voor God en zijn Koninkrijk?’ Waarom zou ik mezelf op de borst slaan? 
Daarbij komt ook nog eens dat ik als perfectionist alles tot in de puntjes geregeld wil hebben. Ik kan me danig ontdaan voelen als ik een fout maak, want oh-oh-oh wat zullen de anderen wel niet van me vinden.
Dergelijke manieren van denken vormen lekkages in het energiehuishouden van een mens, in ieder geval van mij. Er gaat zo veel energie verloren door mezelf klem te zetten met deze gedachtegangen. De papegaai op mijn schouder herhaalt steevast mijn oordelen over mijzelf.
Ik: ‘Zie je wel, ik doe het niet goed als predikant.’
Papegaai: ‘Zie je wel, jij doet het niet goed als predikant.’ Om dat extra duidelijk en voelbaar te maken, pikt hij in de neus van mijn zelfbeeld.
 
Ik houd mezelf gevangen door deze ongenadige oordelen. Dat kan zelfs zodanig groeien, dat ik mij één ga voelen met mijn oordelen. Ofwel: mijn identiteit, mijn zijn als mens, mijn zelfbeeld worden een echo van mijn oordelen. Vanuit die ‘identiteit’ vel ik weer een oordeel over de ander, over de kerk, over God, of over wat dan ook. Als ik tegen mezelf zeg: ‘Ik doe het niet goed’, dan kan de ander/de kerk/God het dus óók niet goed doen. Anders gezegd: de ander deugt niet, omdat ik mijzelf voorhoud dat ik niet deug.
 
Ineens, drie maanden geleden, knapte er iets in mijn ziel. De papegaai had meer dan de neus van mijn zelfbeeld verwond. Ik raakte zwaar oververmoeid.
Graag zong en sprak ik over het levenslicht van God. Op pagina 1 van de Bijbel spreekt de Here God eerst over Licht. Licht dat aan alle andere lichten voorafgaat. Pas dan kleurt het de schepping van zijn liefde.
Van dat licht zag ik niets meer. Vol grauwheid en teleurstelling ging ik met ziekteverlof.

In de Protestantse Kerk in Nederland is het zo geregeld, dat na een week of zes de bedrijfsarts contact zoekt. Hij is vooral bezig met hoe en wanneer ik weer aan het werk kan. De persoonlijke, dieper gelegen vragen werden niet aangeroerd. De papegaai op mijn schouders hield zijn snavel niet.
Door tips van collega-predikanten kwam ik bij een supervisor terecht. De naam zegt het al: hij bekijkt alles van bovenaf. Door bescheiden vragen te stellen ontdekt hij de kluwen van persoonlijke geschiedenis, pijnpunten, frustraties, mooie en lelijke dingen. Hoe de lijntjes in iemands ziel lopen. Waar beïnvloedt de levensgeschiedenis de keuzes die ik maak? Wat zijn mijn blinde vlekken? Hoe benoem ik mijn eigen emoties?
 
Vanuit die supervisiegesprekken leer(de) ik de papegaai op mijn schouder recht in de ogen kijken. Het bewijs van het ongelijk van de papegaai leer ik steeds beter boven tafel te krijgen. Daarmee snoer ik hem de snavel. Uiteindelijk zal hij wegvliegen. De supervisor heeft daar een mooie benaming aan gegeven: desidentificatie van het eigen oordeel. Dat is een mond vol, zeker als je het hardop zegt.
 
Het komt hierop neer, dat ik mezelf met andere ogen heb leren bekijken. Mijn identiteit, wie ik ben, is niet afhankelijk van, niet vastgeplakt aan een ander. Als christen geloof ik dat ieder mens door God geschapen, gewild en geliefd is. Ieder mens is een kind van God. Ik kan een heleboel (eigen) vragen, redeneringen en munitie vanuit de wereld van alledag aanvoeren, om te ‘bewijzen’ dat Gods liefde óf erg selectief is óf niet werkt óf dat God niet bestaat. Maar het is de genade van God die mensen doet leven en in de ruimte van vrijheid zet.
 
Die genade is er vanaf het moment dat God sprak: ‘Er zij licht’. Die genade is er sinds de allereerste ademhaling, het ene mysterie van geboorte, tot de laatste zucht, het mysterie van sterven. Leven vanuit het geloof dat ik leef door en met de genade van God, daar kan geen papegaai tegenop. Ik kan naar mezelf kijken als een door God gewenst en geliefd mens.
Vanuit dat geloof, vanuit dat weten met het hart kan ik kijken naar de ander, naar de kerk, naar de wereld. Mijn zelfbeeld, mijn identiteit heeft een bodem: Gods liefde in de opgestane Jezus Christus. Hij wist in de woestijn alle duivelse papegaaierij te temmen door zijn verbondenheid aan God zijn Vader te benoemen en daaraan vast te houden.
 
In het kader van mijn herstel in een periode van overspannenheid verheugt dit me tot in mijn vezels. Ik leer deze vragen onder ogen te komen: ‘Vind je jezelf belangrijk?’ en ‘Besef je de waarde van wat je doet?’
Mijn eerste reactie was: navelstaren! Doe eens gewoon! Stel je niet aan! Geen kop boven het maaiveld! Ja, vier uitroeptekens, zoals die papegaai op mijn schouders.

Door deze vragen te stellen over mezelf belangrijk vinden en de waarde beseffen van wat ik doe, kom ik er zomaar achter dat in ieder mens een oase is. Er is een baken van rust, waar ik leer te omarmen en mededogen te hebben.
Waar geen duisternis is, wel een dragende grond.
Geen oordeel als papegaai met een venijnige snavel, wel het Licht van God.
Door zijn Licht zie ik licht.
Opnieuw leer ik wat genade is.

Robert-Jan van Amstel • 43 jaar, als predikant verbonden aan de Protestantse Gemeente Zunderdorp en aan Stichting Diensten met Belangstellenden Amsterdam. 

>> amstel4.nl
 
Dit artikel is op vrijdag 20 mei 2016 in het Nederlands Dagblad gepubliceerd 'Pappegaaitje, leef je nog...? Hoe ik opbrandde als predikant'.